«

Wijziging pensioenleeftijd en waardeoverdracht

Wijziging pensioenleeftijd en waardeoverdracht

Afgelopen vrijdag plaatsten we al een blog over de uitspraak van de rechtbank Limburg met betrekking to de eenzijdige verhoging van pensioenleeftijd.

In dit blog willen wij het volgende verduidelijken. De kwestie betreft een verhoging van de pensioenleeftijd. Een item waar veel werkgevers en pensioenuitvoerders in verband met de gewijzigde fiscale pensioenrichtleeftijd mee te maken hebben.

Wijziging pensioenleeftijd voor toekomst of ook verleden?

Er is een aantal vragen:

Mag de pensioenleeftijd voor toekomstige opbouw worden gewijzigd (voor bestaande deelnemers)?

Dit zal zeker kunnen bij verplichte bedrijfstakpensioenfondsen (binding aan reglement door wetsduiding), bij cao, door het pensioenfonds indien er binding is aan het pensioenreglement en bij gebruikmaking van een eenzijdig wijzigingsbeding indien er een voldoende zwaarwegend belang is. De ondernemingsraad zal instemmingsrecht hebben indien er een besluit van de werkgever aan ten grondslag ligt.

Mag de nieuwe pensioenleeftijd ook gaan gelden voor de opbouw in het verleden?

Dit is een wijziging van opgebouwde aanspraken en valt derhalve binnen het wijzigingsverbod van art. 20 Pensioenwet. Via interne waardeoverdracht is wijziging dan echter wel mogelijk, maar hiervoor is instemming (in de vorm van geen bezwaar) van de rechthebbende vereist.

Wanneer waardeoverdracht zonder instemming?

Nu is er mede door de in de PensioenAlert en in het vonnis van de rechtbank Limburg aangehaalde brief van Klijnsma de vraag ontstaan of er wel van een “echte” wijziging van opgebouwde aanspraken sprake is wanneer de pensioenaanspraken bij verhoging van de pensioenleeftijd collectief actuarieel worden omgerekend naar hogere aanspraken. Dat alleen lijkt echter onvoldoende. Tevens zal dan geborgd moeten zijn dat de deelnemer de pensioeningangsdatum weer kan vervroegen met het terugkrijgen van dezelfde nominale aanspraken als vóór de verhoging van de pensioenleeftijd.

In het geval waar de rechtbank Limburg over oordeelde was dit niet geborgd: het nominale ouderdomspensioen zou lager zijn bij vervroeging naar de oorspronkelijke datum. Dat kan volgens de rechtbank gelet op art. 83 Pensioenwet alleen met instemming (in de vorm van geen bezwaar) van de deelnemer.

Indien gewaarborgd is dat de deelnemer het pensioen weer op de oorspronkelijke vroegere datum kan laten ingaan en gewaarborgd is dat het pensioen dan dezelfde nominale waarde houdt, is er geen “echte” wijziging en doet dit knelpunt van art. 83 Pensioenwet zich naar ons oordeel niet voor. Indien door het hanteren van nieuwe actuariële factoren op de vervroegingsdatum een kans is dat het pensioen wel nominaal lager is en niet bij voorbaat vaststaat dat het pensioen niet lager wordt, zal art. 83 Pensioenwet naar ons oordeel in acht genomen moeten worden. Het wetsvoorstel waardeoverdracht klein pensioen brengt op dit punt een verandering: dat wetsvoorstel maakt waardeoverdracht zonder instemming mogelijk, ook indien door gebruik van nieuwe actuariële factoren het pensioen lager zou worden in geval van de keuze voor vervroeging.

Over de auteur

avatar

Bas Degelink

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *