«

»

Hoge Raad beslist: achterstallige pensioenpremies gaan over op de verkrijger bij overgang van een onderneming

PensioenDit heeft de Hoge Raad beslist in zijn uitspraak van 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2375 in een geschil tussen het verplichte bedrijfstakpensioenfonds voor de schoonmaakbranche en de onderneming GOM (de “GOM-zaak”). Dit was ook reeds door de lagere rechter (rechtbank en Gerechtshof) beslist. De Hoge Raad bevestigt die uitspraken nu.

De achtergrond – het wettelijk raamwerk

Bij de overgang van een onderneming in de zin van art. 7:662 BW (de overdracht van activiteiten) gaan door wetsduiding alle rechten en plichten uit bestaande arbeidsovereenkomsten over op de verkrijger van de onderneming. In het verleden waren rechten en plichten uit aanvullende pensioenregelingen van deze overgang op de verkrijger uitgesloten, maar door een wetswijziging in 2002 vallen ook aan de arbeidsovereenkomst verbonden rechten en plichten in verband met pensioen onder de regel dat deze overgaan op de verkrijger van de onderneming (art. 7:663 BW). Voor de pensioenrechten en -plichten voorziet de wet evenwel ook in enkele uitzonderingen (art. 7:664 BW, waarover hieronder nader).

Het geschil

Het geschil waar de Hoge Raad over oordeelde betrof de situatie dat GOM activiteiten van een ander schoonmaakbedrijf had overgenomen. De werknemers vielen zowel vóór als ná de overgang van activiteiten onder het verplichte bedrijfstakpensioenfonds voor de schoonmaakbranche. Het geding ging over de premieschulden jegens het verplichte bedrijfstakpensioenfonds die vóór de overgang van een onderneming voor de oude werkgever waren ontstaan, dus oude premieschulden uit het verleden. Er waren drie rechtsvragen.

Vraag 1: is er in geval van verplichtstelling van een bedrijfstakpensioenfonds sprake van rechten en plichten uit een arbeidsovereenkomst die overgaan op de verkrijger?

De Hoge Raad beantwoordt de vraag bevestigend: dat het geval waarin de overdragende en de verkrijgende werkgever beiden verplicht deelnemen in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet Bpf 2000, valt onder de werking van art. 7:663 BW. Dit betekent dat verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet Bpf 2000 moeten worden aangemerkt als verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:663 BW. De Hoge Raad baseert zich hierbij onder meer op het stelsel van de Pensioenwet, waarin de verplichte deelneming is gelijk gesteld met een pensioenovereenkomst (art. 2 lid 2 Pensioenwet).

Vraag 2: gaan oude premieschulden over?

De Hoge Raad beantwoordt ook deze vraag bevestigend. Volgens de Hoge Raad volgt uit de wetsgeschiedenis dat tot de rechten en verplichtingen die op het moment van de overgang van een onderneming voortvloeien uit de pensioenovereenkomst tussen de vervreemder en zijn werknemers en die van rechtswege overgaan op de verkrijger, ook de verplichting tot betaling van vóór de overgang door de vervreemder onbetaald gelaten pensioenpremies behoort.

Vraag 3: kan het bedrijfstakpensioenfonds zelf een vordering voor die premieschulden instellen of alleen de werknemers?

De Hoge Raad beantwoordt deze vraag eveneens bevestigend. De Hoge Raad overweegt dat een redelijke, en uit het oogpunt van een effectieve rechtsbescherming van de werknemers wenselijke, uitleg van de art. 7:663 en 7:664 BW meebrengt dat bij overgang van een onderneming – behoudens de in art. 7:664 lid 1 BW genoemde uitzonderingen – in het geval de werknemer zowel vóór als ná de overgang van de onderneming verplicht deelneemt in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds, dit pensioenfonds een eigen recht verkrijgt tegen de verkrijger van de onderneming tot inning van eventueel achterstallige pensioenpremies.

Wanneer gaan premieschulden niet over?

Zoals hierboven bij De achtergrond – het wettelijk raamwerk opgemerkt voorziet de wet voor pensioenrechten en -plichten in uitzonderingen op de overgang op de verkrijger. Indien een uitzondering van toepassing is, gaan de rechten en plichten in verband met een pensioenregeling dus niet over op de verkrijger. Ook de achterstallige pensioenpremies die de oude werkgever verschuldigd was gaan dan niet over. Dit is het geval wanneer:

  1. a) de verkrijgende werkgever, die de activiteiten overneemt, aan zijn eigen werknemers al een pensioenovereenkomst heeft aangeboden en hij ditzelfde aanbod doet aan de werknemers die worden overgenomen;
  2. b) de verkrijgende werkgever deelneemt in een verplicht bedrijfstakpensioenfonds en die verplichte deelneming ook van toepassing wordt op de overgenomen werknemers;
  3. c) indien partijen bij cao een afwijkende afspraak maken.

Indien een van deze uitzonderingen van toepassing is, is de verkrijgende werkgever dus niet gehouden oude premieschulden te betalen. De oude, overdragende, werkgever blijft daarvoor aansprakelijk.

De uitzonderingen zijn niet van toepassing (en de oude premieschulden gaan dus wel over op de verkrijger) indien:

1) de verkrijgende werkgever noch een pensioenovereenkomst heeft voor zijn eigen werknemers, noch onder een verplicht bedrijfstakpensioenfonds valt;

2) zowel vóór als ná de overgang van de onderneming hetzelfde verplichte bedrijfstakpensioenfonds op de werknemers van toepassing is, zoals in de GOM-zaak.

Conclusie

Het hangt van de situatie af of de verkrijger gehouden is oude premieschulden te betalen. Bij overnames zal dit een belangrijk aandachtspunt moeten zijn mede vanwege de hoge bedragen die gewoonlijk met premieschulden zijn gemoeid.

Over de auteur

avatar

Bas Degelink